Our Blog

Elk jaar wordt de zorg in elf westerse landen, waaronder Nederland, onderzocht door het Commonwealth Fund uit de Verenigde Staten. Onderdeel daarvan is een patiëntenenquete. De Nederlandse zorg stak altijd gunstig af bij andere landen, maar in het overzicht van 2011 lijken we onze koppositie kwijt te raken. We scoorden in het afgelopen jaar niet meer dan gemiddeld als het gaat om de mate waarin de zorg is afgestemd op de behoeften van de patiënt en de mate waarin de patiënt de regie krijgt.

De Nederlandse patiënten met chronische aandoeningen gaven aan dat medisch specialisten meer ruimte tot het stellen van vragen bieden dan huisartsen. De informatie-uitwisseling tussen ziekenhuis en huisarts na ontslag is goed. In andere landen pakt de huisarts de zorg na ontslag uit het ziekenhuis beter op dan in Nederland. In Europa scoren vooral Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk goed.

Bovenstaand citaat komt uit een nieuwsbericht van het NHG en vormt aanleiding om het genoemde onderzoek van het Commonwealth Fund aan een nadere analyse te onderwerpen. We zullen hierbij een drietal aspecten kort toelichten en van commentaar voorzien: de samenwerking (huisarts – specialist), patiënten-participatie en communicatie (arts – patiënt).

Populatie

De doelgroep van het onderzoek was de ‘zieke zorgconsument’. In ons land werden 1991 volwassenen gebeld. Geïncludeerd werden vervolgens diegenen die hun gezondheid als redelijk/omschreven of die de afgelopen 2 jaar een grote operatie ondergingen, werden opgenomen in het ziekenhuis of een aandoening/beperking hadden die veel medische zorg vereiste. De gegevens van 1000 personen werden geanalyseerd. Van hen had 28% een gezinsinkomen dat ver ‘beneden modaal’ was en was 11% van niet-Nederlandse komaf. Een opvallend hoog percentage (29) van de deelnemers vertelt reumatoïde artritis te hebben; verder komen rugpijn, astma en hypertensie veel voor bij de ondervraagde patiënten. Vierenvijftig procent van de Nederlanders ervoer de gezondheid als redelijk tot slecht; dit was het hoogste percentage van alle deelnemende landen en roept de vraag op of de onderzochte populaties wel vergelijkbaar zijn!

Samenwerking huisarts-specialist

Wat doen we goed?

De communicatie tussen huisarts en specialist verloopt goed. Van de Nederlandse respondenten gaf 79% aan dat de huisarts op de hoogte was van de zorg die zij in het ziekenhuis had ontvangen en 74% gaf aan dat de huisarts op de hoogte was van een poliklinisch bezoek aan de specialist.

Wat kan er beter?

Nederland blijft wat achter op het gebied van case-management. Van de respondenten geeft 46% aan dat er één persoon verantwoordelijk is voor alle ontvangen zorg (van verschillende artsen) op het gebied van chronische aandoeningen. In het Verenigd Koninkrijk is dat 75%. Daarnaast geeft slechts een derde van de Nederlandse respondenten aan altijd of vaak hulp te ontvangen bij coördinatie van de zorg vanuit de huisartsenpraktijk. In Canada, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en zelfs in de Verenigde Staten bedraagt dit percentage meer dan 60. Hierbij valt op dat in ons land het percentage respondenten dat een geschreven plan mee naar huis krijgt bij ontslag uit het ziekenhuis na een operatie met 54% ook relatief laag is.

Patientparticipatie

In Nederland scoren we gemiddeld als het gaat om het stimuleren van zelfmanagement. De drie vragen die hierbij gesteld zijn aan patienten met minimaal één chronische aandoening waren:

  • Heeft een zorgverlener de belangrijkste doelstellingen en/of prioriteiten van de medische zorg voor de aandoening met u besproken?
  • Heeft een zorgverlener u geholpen met het opstellen van een behandelplan welke u in het dagelijks leven kunt uitvoeren?
  • Heeft een zorgverlener u instructies gegeven over de symptomen waar u op moet letten en wanneer een arts geraadpleegd moet worden?

Met de antwoorden op deze vragen werd een samengestelde score berekend. Deze score bedroeg in Nederland 42% en was in het Verenigd Koninkrijk 69%. Daar valt nog heel wat winst te boeken!

Communicatie

Het is lastig om een vergelijking tussen huisarts en specialist te maken als het gaat om patient-communicatie omdat verschillende vragen over hen werden gesteld.

Over de huisarts (respondenten die altijd/vaak antwoorden)
  • Neemt hij voldoende tijd voor u? (87%)
  • Moedigt hij u aan om vragen te stellen? (59%)
  • Legt hij zaken op een begrijpelijke manier uit? (4%)
Over de specialist (respondenten die altijd/vaak antwoorden)
  • Hoe vaak gaf hij u de kans om vragen te stellen? (82%)
  • Hoe vaak gaf hij uitleg over de aanbevolen behandeling? (82%)
  • Betrok hij u zoveel als u wenste bij het nemen van beslissingen? (79%)

Conclusie

Hoewel de conclusie dat ‘medisch specialisten meer ruimte geven voor het stellen van vragen dan huisartsen’ voor de hand ligt, is een eerlijke vergelijking tussen deze twee beroepsgroepen aan de hand van de gestelde vragen eigenlijk niet goed mogelijk. Het lijkt erop dat de onderzoekers de lat voor de specialist wat lager leggen (ruimte geven voor het stellen van vragen) dan voor de huisarts (aanmoedigen tot het stellen van vragen).

Dit neemt niet weg dat de Nederlandse huisarts meer de regierol op zich kan en moet nemen – omdat de patiënt dat wil en omdat het de kwaliteit van zorg en de efficiëntie zal verhogen. Dit kan ook bij uitstek in Nederland waar het percentage patiënten met een vaste huisarts het hoogste is van allemaal: 97!

Wat maakt dat de Nederlandse huisarts dit onvoldoende doet?

Wat is er voor nodig om dit te verbeteren?

Comments ( 0 )

    Leave A Comment

    Your email address will not be published. Required fields are marked *